Waarom Franse kloosters nog steeds pelgrims aantrekken – ook als je niet gelovig bent

Franse kloosters bieden rust en stilte, en trekken niet alleen gelovigen aan, maar ook mensen die zoeken naar bezinning en pauze zonder religieuze verwachtingen.

4 min lezen
Waarom Franse kloosters nog steeds pelgrims aantrekken – ook als je niet gelovig bent

Waarom Franse kloosters nog steeds pelgrims aantrekken – ook als je niet gelovig bent

In een klein dal in de Vercors ligt het klooster van Notre-Dame de Valcroissant. Half verstopt tussen kale hellingen en mistige dennen. Toen ik er midden in de winter een paar dagen logeerde, samen met een vriendin die door een burn-out was gegleden, waren we met z’n vieren in totaal. Twee gasten, twee monniken. Geen programma, geen groepsgevoel. Alleen stilte, houtkachels en tijd. Je zou denken: iets voor gelovigen. Maar dat was het niet – en dat is het zelden, zo bleek later.

Geen pelgrims, maar zoekers

De term ‘pelgrim’ roept misschien beelden op van mensen met wandelstokken en bedevaartspaspoorten, onderweg naar een heilige plek. In de praktijk zie je in Franse kloosters net zo goed mensen die zoeken naar rust, richting, een pauze. Dat kan een leraar zijn met te veel geluid om zich heen. Een net gescheiden vrouw. Of gewoon iemand die een paar dagen offline wil zijn – zonder de badge ‘retraite’ of ‘wellness’.

Het mooie is: je hoeft er niets uit te leggen. Kloosters doen niet aan intakeformulieren of doelen voor je verblijf. Je bent er welkom als je je aanpast aan het ritme: vroege maaltijden, stilte op afgesproken uren, en geen pretenties. Sommige kloosters vragen een kleine bijdrage, andere vertrouwen op giften. Hoe dan ook: het gaat nooit om geld.

Gastvrijheid als stille traditie

Een Nederlands stel dat ik trof in de refter van een abdij bij Poitiers, vertelde hoe ze er al jaren een paar dagen per jaar naartoe komen. "We hoeven dan nergens iets van te vinden. Geen keuzes, geen verwachtingen. Alleen eten, wandelen en slapen." In hun gewone leven zijn ze architect en huisarts. “Hier zijn we gewoon mens.”

Die vorm van gastvrijheid – open, stil, onvoorwaardelijk – is typisch voor veel Franse kloosters. Het komt voort uit de regel van Benedictus, die spreekt over het ontvangen van de vreemdeling alsof het Christus is. Maar in de praktijk voelt het vooral als: je hoeft even niks. En ook dat kan een vorm van luxe zijn.

Winter maakt het intenser

Er is iets bijzonders aan kloosters in de winter. De rust is dan nog tastbaarder. Het licht is zacht, de stilte voller. De afwezigheid van andere gasten maakt je minder bezig met hoe je je verhoudt tot de groep. En de kou dwingt tot traagheid – je zoekt vanzelf de warmte van de refter, de bibliotheek, je kamer, soms een gesprek met een van de broeders of zusters.

Dat maakt het gemakkelijker om tot rust te komen, of gewoon om tot jezelf te komen. Niet via een religieuze ervaring – al kan dat – maar via het ontbreken van prikkels. Kloosters bieden een soort armzalige eenvoud die je nergens meer vindt. Geen comfort, geen afleiding, geen drukte. Alleen de dingen die er zijn: een klok die de dag markeert, eenvoudige maaltijden, ritme, rust.

Erfgoed dat dóórleeft

Wat mij blijft verrassen, is hoe kloosters – terwijl ze ogenschijnlijk zoiets uit een andere tijd zijn – toch iets heel eigentijds bieden. Juist omdat het geen bestemming is die schreeuwt om aandacht. Geen big experience, geen buzz. Maar een plek die iets losmaakt zonder iets op te dringen.

In die zin lijken kloosters zich moeiteloos aan te passen aan onze tijd. Juist omdat ze dat niet proberen. Ze bieden wat ze altijd al boden. En toevallig is dat precies waar nu weer behoefte aan is.

Dus nee, het is niet gek dat een niet-gelovige in de winter op een koude berg logeert bij mensen die driemaal daags bidden. Misschien is het vreemder dat we lang dachten dat dit erfgoed 'voor anderen' was.

Deel dit artikel:

Reacties ()

Log in om mee te doen aan het gesprek en een reactie achter te laten!

Gerelateerde artikelen