Waarom Franse herders nog steeds in oude stenen hutten slapen
Wie door de heuvels van Zuid-Frankrijk wandelt, komt ze vroeg of laat tegen: kleine ronde hutten van opgestapelde stenen, laag bij de grond, zonder ramen. De deur is vaak van hout, soms hangt er een oud slot aan. Ze lijken achtergelaten, vergeten misschien, tot je er eentje ziet met rook die uit een klein pijpje komt. Binnen zit een man of vrouw op een simpel bankje, met een hond aan zijn voeten en het hoofd vol wind. Een herder.
Die stenen hutten zijn geen toeristische aankleding van het landschap. Ze worden nog steeds gebruikt. Misschien niet elke dag, niet door iedereen, maar genoeg om te merken: dit is geen folklore. Het hoort bij een manier van leven die blijft bestaan, tegen de stroom in.
Waarom al die moeite voor zo'n krappe hut?
Op het eerste gezicht lijken ze onpraktisch: laag, donker, kil. Maar ze zijn precies wat een herder nodig heeft tijdens de « transhumance », de seizoensgebonden verplaatsing van schapen of geiten naar de hogere weilanden. Zo’n tocht duurt soms dagen. Onderweg is een plek waar je droog zit en uit de wind goud waard.
De cabanes de berger zijn daar ook voor gebouwd — met de hand, met stenen uit de grond, zonder cement. Ze zaten er al toen Napoleon nog rondliep. En sommige worden dus nog steeds gebruikt, vooral in de minder drukbezochte regio’s zoals de Cevennen, de Alpes-de-Haute-Provence en delen van de Ardèche.
Een herder die ik sprak — hij noemde zichzelf gewoon « berger » — vertelde dat hij in de zomermaanden liever in zo’n hut slaapt dan terug naar zijn boerderij te rijden. “Je voelt je dichter bij je kudde, en bij het landschap. Het is primitief, ja, maar het maakt je wakker op een goede manier.”
Meer dan een schuilplek
De hutten zijn inmiddels meer dan functioneel onderdak. Ze zijn een symbool geworden van een rurale levenshouding. Niet nostalgisch — het is geen verlangen naar vroeger — maar wel eigenzinnig. Zelfvoorzienend. Eenvoudig zonder zichzelf als ‘simpel’ te zien.
In die zin passen de cabanes de berger in een breder patroon dat ik vaak zie op het Franse platteland: de hang naar autonomie. Niet in grote woorden, maar in keuzes die mensen elke dag maken. Je eigen kaas maken, zelf hout hakken, weten wanneer het weer verandert door naar de bergen te kijken in plaats van naar een app.
De hut is een vorm van ‘présence’. Je bevindt je in het landschap niet als bezoeker, maar als iemand die erbij hoort. Als iemand die kan luisteren naar stilte zonder zich verloren te voelen.
Een erfgoed dat nog leeft
Er zijn inmiddels ook organisaties die deze cabanes restaureren of documenteren. Niet uit museale ijver, maar omdat ze voelen: als we dit laten verdwijnen, verdwijnt er iets van onszelf. Sommige jongeren, vaak uit de stad, volgen opleidingen tot herder. Niet als lifestyle, maar uit overtuiging. En die slapen dus ook in stenen hutten.
Ik vroeg eens aan een jonge herderin wat ze dacht toen ze voor het eerst alleen in zo’n hut zat. Ze haalde haar schouders op. “Ik was moe. Het was koud. Maar de volgende ochtend rook het naar tijm en schapen. En ik dacht: dit is van mij.”
Wat dit ons kan zeggen
Niet dat we allemaal in een stenen hut moeten gaan slapen, natuurlijk. Maar die ouderwetse onderkomens, en de mensen die ze nog gebruiken, laten iets zien dat in veel moderne levens ontbreekt: een directe relatie met de omgeving. Zonder filter, zonder technologie ertussen.
De cabane is niet romantisch. Ze is ruw. Maar zoals veel in het Franse plattelandsleven, zit de schoonheid in het ongemakkelijke. Het is een plek waar je vooral jezelf tegenkomt — en soms ook een voorbijtrekkende vos.
Reacties ()
Log in om mee te doen aan het gesprek en een reactie achter te laten!